„Komen jullie theedrinken?" roept Bob vanuit
de
keuken.
Erik sloft die kant op terwijl Jeroentje een
stukje
voor hem uit rent. Halverwege stopt Jeroentje, draait
zich om en komt weer terug om te zien of Erik nog
wel onderweg is. Eenmaal in de keuken loopt Jeroen-
tje naar een stoel en pakt hem bij de achterpoten beet.
Hij trekt hem naar zich toe en kijkt even waar Erik
gaat zitten. Met veel lawaai schuift hij zijn eigen stoel
daar ook heen. Hij duwt hem pal naast die van Erik en
klautert erop. Als hij zit, halen zijn voetjes maar net
de voorkant van de stoel.
„Goed zo, Jeroentje," zegt Bob, „netjes op je stoel."
Boris de hond schuift er snel onder. Zijn
staart tikt
op de grond van blijde verwachting.
„Wijje koelde?" vraagt Jeroentje aan wie het
maar
horen wil. Hij wijst op de trommel, waarvan hij de
inhoud wel kan raden.
Erik schudt zijn hoofd. Hij snapt er soms
echt niks
van. Gaat zo'n joch een beetje in het rond zitten vra-
gen of hij zelf een koekje wil...
„Da's goed hoor, jong," zegt Bob en geeft hem er
eentje. „Hou jij hem even in de gaten Erik?
Dan maak
ik nog wat limonade voor hem."
Erik geeft geen antwoord. Hij blaast over
zijn thee
en staart naar de wolkjes die er afkomen.
„Goettejom," hoort hij naast zich. Het
klinkt vrien-
delijk, als het toontje van Bob daarnet. Jeroentje heeft
het deksel van de trommel opengemaakt en geeft
zichzelf een nieuw koekje. Glimlachend neemt hij er
een hapje uit en legt de rest op de tafel. Boven op zo'n
zelfde afgebeten stuk van het vorige koekje.
„Goettejom," mompelt hij weer goedig tegen
zich-
zelf en pakt het volgende koekje. Erik kijkt hem ver-
baasd aan. Jeroentje kijkt op zijn vriendelijkst terug.
„Goette jom," zegt hij en neemt er nog maar
eens
eentje. Van alle overgebleven stukken koek maakt hij
onder het knabbelen een keurig stapeltje.
„Moetje die niet opeten?" kan Erik niet
laten om te
vragen.
„Nee," schudt Jeroentje wijs zijn hoofd.
„Neenee,
niettegoed."
„Het zijn gewoon koekjes! Wat is er dan niet
goed
aan?"
„Neenee," verbetert Jeroentje geduldig en
pakt
ondertussen een nieuwe uit de trommel. „Isse kost-
koekie."
„Isse kostkoekie," zegt Jeroentje, een
beetje minder
geduldig nu.
„Hij vindt geloof ik dat het korstjes zijn,"
zegt Bob,
die erbij is komen staan. „Die laat hij liggen, net als
bij een boterham."
Jeroentje knikt. „Wijje koekie?" vraagt hij
met zijn
allerliefste lachje.
Bob haalt zijn schouders op. Hij doet de
stapel
koekrestjes terug in de trommel. Dan roert hij de boel
even door elkaar en pakt er een van de afgekloven
stukjes uit.
„En hier..." zegt hij en hij kijkt erbij
alsof hij een
grote verrassing heeft, „hier hebben we nog zo'n
heerlijk koekje voor onze Jeroentje!"
Jeroentje staart naar het afgebeten stukje
koek in
Bobs hand. Doodstil is hij. Dan zakken zijn mond-
hoeken langzaam naar beneden. Zijn grote ronde
ogen die strak naar het afgebeten stukje koek blijven
kijken, lopen vol met water. Steeds voller. Eén traan
biggelt al over de rand. Jeroentjes mond gaat open en
hij begint hard, erg hard, te huilen. „Isse kostkoe-
kie," snikt hij, met lange uithalen.
„Wat een rotstreek," mompelt Erik zachtjes
boven
zijn kopje thee.